Samen… als het echt moet

Samenwerken, onlangs werd ik er weer op mijn werk mee om de oren geslagen. Nu moet je wel weten dat ik op een heel tijdelijke job zit, waar ik absoluut niet kan samenwerken met anderen, niet omdat ik het niet wil, maar omdat mijn opdracht het gewoon niet toelaat. Ja, ik ben van anderen afhankelijk voor informatie en bepaalde beslissingen, maar samenwerken kan je dat niet noemen. Zij geven informatie en ik ga ermee aan de slag, daar is niet veel samen aan.

En toch wordt samenwerken immens hoog aangeschreven op sollicitaties. Eigenlijk slaan sollicitaties nergens op, want zoals zovele zaken, zijn ze modegevoelig. Als je tegenwoordig niet lean, agile en hands-on bent, dan kom je er niet aan te pas. Tegelijk moet je een teamplayer zijn die ook independent aan de slag kan. “Zever, gezever,” gonst het door mijn hoofd en dan moet ik me weer bedwingen om niet “ik neem het mee” te antwoorden.

Het schijnt zelfs dat men voor sollicitaties ondertussen ook al de weg naar de spellenwereld heeft gevonden. Menigeen knikt nu instemmend, al dan niet met nachtmerries terugdenkend aan het laatste rollenspel waar je weer in een totaal absurde situatie in een volkomen onnatuurlijke rol werd geduwd. “Wees spontaan, inventief en creatief,” wordt er nog gefluisterd. Ik gruwel er van. Neen, ik vind het dus geen goede zaak dat spellen misbruikt worden in de zoektocht naar een goede kandidaat.
Een spel is immers de enige plaats, het laatste bastion, waar ik me totaal niets moet aantrekken van anderen. Bruggen opblazen, de boel verzieken en messen in de rug planten, het kan allemaal. Een stevige wargame geeft je de mogelijkheid om je donkerste kantjes boven te halen: blaas je je tegenstander meteen van het bord, ga je af en toe de moeizaam opgebouwde troepen wegmaaien of kijk je minzaam toe hoe die ligt te spartelen? All is fair in love and war!

Het soort spel dat me dus hoegenaamd niet aanspreekt is dan ook het coöperatieve spel. En laat dat nu, sinds Pandemie in 2008 werd uitgebracht, duidelijk meer dan een modetrend zijn.

Als ik terugkijk op vorig weekend, dan was het eigenlijk een atypisch weekend voor mij. Op wat fillers na, speelde ik uitsluitend coöperatieve spellen, iets wat ik tot voor enkele jaren absoluut voor onmogelijk had gehouden. Neen, ik heb niets tegen coöperatieve spellen, ik speel alleen liever tegen iemand dan tegen het systeem. Ik vind het enorm veel fijner een menselijke tegenstander te slim af te zijn, dan een algoritme te ontrafelen en te kloppen.

Toch heb ik een tijdje gehoopt dat coöperatieve spellen me zouden liggen, ik heb me echt gedwongen ze te spelen en me voorgelogen dat ik ze leuk vond. Toen ik nog regelmatig voor mijn werk in het buitenland zat, had ik aardig wat coöps mee, grote en kleine. Space Hulk: Death Angel – The Card Game was er zo eentje. Stevig spel, thematisch aardig en een boel monsters die swarmden. Degelijke moeilijkheidsgraad, maar toch… na enkele spelletjes had ik het alweer gezien en daar het thema me koud liet, ging het spel maar op de schop. Ook Pandemie mocht er na enkele spelletjes aan geloven, al kon Pandemic Legacy: Season 1 me wel weer over de streep trekken, wat zeg ik, het bekoorde me, ik heb echt van die 15 spelletjes genoten. Zo hard zelfs, dat ik op het punt stond om het tweede seizoen te kopen. Het is er nooit van gekomen. Ik denk niet dat ik nog eens 15 spelletjes Pandemie aankan, hoe sterk het verhaal ook is.

Ondertussen koester ik nog maar enkele coöperatieve spellen in mijn kast: Flash Point: Fire Rescue vind ik geweldig. Waarschijnlijk omdat het zo weinig op tafel komt. Het thema spreekt me aan, het mechanisme ook, zeker de combinatie van hot spots en explosies. Ik vind het qua thema alleszins beter uitgewerkt dan Pandemie (al gaan velen me daar misschien in tegenspreken). Enkele andere maken standaard deel uit van mijn vakantiespelletjes, je weet wel, de spelletjes die je enkel uit de kast haalt als je een weekendje met familie weg bent of met de kinderen een weekje naar Centerparcs trekt. Hanabi was het eerste spelletje, gevolgd door The Game (later vervangen door The Game Extreme). Ook FUSE gaat tegenwoordig mee op reis en The Lost Expedition heeft ook een plaatsje geclaimd in de koffer. Na vorig weekend gaat The Grizzled daar zeker aan toegevoegd worden.

Ook op Spiel heb ik me laten ompraten, door een steengoede verkoper aan de stand van Fryxx Games. Het was wel grappig, want hij stelde open vragen. Of ik van deckbuilding hield. Nope, ik gruwel van deckbuilding. Of ik iets had met zombies? Nope, ik walg van zombies. En daar stond hij dan, de zielepoot, met After the virus in zijn hand, geen enkel aanknopingspunt meer, waarop ik -met enig medeleven- hem toch maar vroeg zijn verkoopspraatje af te steken. Ik heb het niet gekocht, bij hem toch niet. Enkele uren later, net voor het buitengaan, heb ik het meegescharreld voor een tientje ofzo. Het bleek een schot in de roos. After the virus speelt prima solo (niet dat ik dat veel doe, maar je kan wel eens testen), speelt ook supersnel (op 10 minuten kan je je kaarten gefrustreerd op tafel gooien) en kan je fenomenaal goed schalen qua moeilijkheidsgraad. De voorgestelde scenario’s (qua moeilijkheidsgraad en speelduur) werken perfect. Het leuke is ook dat je tegelijk speelt, niet elk om beurt, maar tegelijk, wat iets thematischer is: mocht je ooit tegenover een zombieleger staan, dan knal je ze best met z’n allen tegelijk af. Al moet ik wel toegeven dat ik nog iets anders zou doen, maar dat hou ik als verrassing… tegen dat het zombieleger komt.

Coöperatief deckbuilden, nooit gedacht dat ik dat leuk zou vinden, maar After the virus deed het toch maar. Ook Aeon’s End heb ik, op aanraden van Dominique, gespeeld en ik was er weg van. Ook hier vast en zeker omdat de moeilijkheidsgraad aardig hoog ligt. Dat kan je helaas van veel coöps niet zeggen en wat is er nu leuk aan een spel dat je van de eerste keer al verslaat?

En toch, eigenlijk zijn dit niet de coöperatieve spellen die zwaar kunnen concurreren met de spellen die ik “normaal” speel. Ik zou ze immers niet zelf voorstellen, ik hou ze achter de hand, als een noodzakelijk deel van de collectie, mocht er eens iemand enkel en alleen coöperatief willen spelen of mocht ik, zoals indertijd, moeten spelen met iemand die echt niet tegen zijn verlies kan, dan haal je beter dat coöperatief arsenaal boven. En daarin zitten momenteel drie spellen, niet toevallig zijn twee ervan living card games: Lord of the Rings en Arkhom Horror. Het thema zit goed, het verhaal zit goed, de moeilijkheidsgraad zit goed (al klinkt goed wel een beetje vreemd: Arkham Horror is aartsmoeilijk en Lord of the Rings heeft scenario’s die niemand -wereldwijd- ooit heeft geklopt). Je kan ze ook spelen in campaign mode, zo kan je een karakter ontwikkelen en dolle avonturen beleven. Mocht dat het echte leven zijn, je stortte je karakter gelijk in een depressie en kon bij de psychiater gaan verder spelen, want de nachtmerries en trauma’s zijn niet meer te tellen. Het laatste dat ik speel is Gloomhaven, al moet ik toegeven dat de moeilijkheidsgraad nu wat te wensen over laat. Het mechanisme is sterk, de verhaallijn en de thematische uitwerking zijn ook heel aardig, meer dan voldoende om de campagne verder te willen spelen.

Na dit alles, durf ik nog steeds zeggen dat ik helemaal niet van coöperatieve spellen hou. Wel heb ik een zwak voor campagnespellen: een karakter ontwikkelen, een verhaallijn schrijven, spel en metaspel. En die liefde overwint duidelijk mijn afkeer van coöperatieve spellen. Gelukkig biedt een club spelers die mee in een campagne willen stappen, die mee een andere wereld willen ontdekken en die gewoon gezellig willen samen spelen.

Drie is (soms) te veel

Gisteren was het weer van dat, het grote déjà vu-gevoel. Enkele dagen terug stond er, alweer, een piekfijn exemplaar van 1830 voor een prikje te koop. Alweer een jong koppel, nog geen kindjes deze keer, maar daarin zal dra verandering komen, getuige de dikke buik van de jongedame die me liet schatten dat in dat gezinnetje Pasen dit jaar niet enkel om chocolade eieren zal draaien.

Een jong koppel dus, lief en sympathiek, dat graag spelletjes speelt, ook vaak met twee. In mijn hoofd speelde spontaan hun doorsnee avondje af: samen aan de afwas (ze gingen weldra verhuizen naar iets groters… met een vaatwasser), daarna een spelletje Berenpark of Azul en dan samen onder een dekentje Netflix kijken. Ik gun het ze van harte.

En zo heeft dit koppel, het zoveelste in rij, zich laten verleiden om 1830 te kopen. 999Games en een trein op de doos, dat kan toch niet slecht zijn? Plaats 172 op Boardgamegeek met een score van 7.9, dat kan toch niet slecht zijn? Een spel van 1986 dat nog steeds hoge toppen scheert, dat kan toch niet slecht zijn? Helaas, toch kan dat slecht zijn, of beter verwoord, niet in de smaak vallen. Bij het eerste proefspelletje, met z’n tweetjes uiteraard, hebben ze er na 3 uur moedeloos de brui aan gegeven, alles netjes in de doos gestoken en te koop gezet. Ik kan er alleen maar blij mee zijn.

Het deed me wel prompt denken aan Pieter indertijd, die ook elk nieuw spel eerst eens uitprobeerde met zijn vrouw. Pieter spendeerde aardig wat tijd in zijn zoektocht naar spellen voor 4 of 5 spelers (om de clubcollectie uit te breiden), maar toch ook goed speelbaar met 2. Je moet weten dat dat in de vroege jaren 2000 was, het moment dat grote namen als Tigris & Eufraat, El Grande, Ra, Puerto Rico en Fürsten von Florenz verschenen. Op Tigris & Eufraat na, waren deze spellen 3-5 spelers. Officieuze en officiële tweespelersvarianten kwamen pas veel later. Steengoede spellen voor 4 of 5 spelers die toch ook speelbaar waren met twee, waren eerder een rariteit. Powergrid (Hoogspanning) is er zo eentje dat weliswaar speelbaar is met twee, toch blijft het -al willen smaken grondig verschillen- toch vooral een lege doos met twee. Het is me dan ook een raadsel waarom men in de loop der jaren het spelersaantal van El Grande en Puerto Rico naar 2-5 heeft gebracht (i.p.v. 3-5).

Het toont aan dat tweespelersvarianten geen evidentie zijn, nog steeds niet trouwens, al ziet menig uitgever er wel de meerwaarde van. Ook met solovarianten loopt het zo, al is het aantal spelers dat fanatiek solo speelt wel beperkt. Ik denk dat enkel op Kickstarter zwaar wordt uitgepakt met een eenspelervariant.

Ik herinner me Pieter zo goed, ook al heb ik hem in geen jaren meer gezien, omdat we dezelfde interesse deelden: spellen voor 3, 4 of 5 met een ijzersterke tweespelersvariant. De eerste twee spellen die ik zo leerde kennen, komen ook nu nog vlot op tafel: Caylus en Goa. Ook andere spellen konden me bekoren met een vlot en stevig tweespelersspel: Torres, Carson City, Concordia, Tzolkin, Castles of Burgundy, ik leg ze vlot op tafel met z’n tweetjes als -zoals ze dat tegenwoordig noemen- expertspel. Voor familiespellen is de aandacht voor een stevige speelbaarheid en herspeelbaarheid met twee al langer gekend: Stenen tijdperk, Egizia, Einfach Genial, Ticket to Ride, zelfs Carcassonne, zijn spellen die met twee misschien een andere dynamiek hebben, maar die een aangename uitdaging blijven. Voor expertspellen, het zwaardere werk, moest je vroeger vaak kiezen: een tweespelersspel (vaak een wargame of iets abstract) of pas speelbaar vanaf drie spelers. Net daarom kreeg ik een grondige hekel van alle tweespelersvarianten. Een dummyspeler, zoals je zo vaak ziet (of is het zag), daar gruwel ik van. Alhambra was er zo eentje en die viel dan eigenlijk nog mee. De rest heb ik duidelijk uit mijn geheugen verbannen. Ook de tweespelersversie van 7 Wonders is in mijn ogen een kwelling.

De (r)evolutie in de spellenwereld, met speciale aandacht voor twee- en eenspelersvarianten (denk bijvoorbeeld aan de automa decks zoals in Scythe), kan me ten zeerste bekoren. Het is zelfs zo dat je sommige spellen niet eens met meer dan 2 wilt spelen, ook al gaat het wel. Through the Ages bijvoorbeeld, duurt zo lang dat je misschien nog wel eens met 3 aan de slag wilt, maar zelfs dan tuur je meermaals zuchtend naar de klok. Innovation is er ook zo een, al speel je daar liever met 2 omdat je dan makkelijker het overzicht bewaart. Food Chain Magnate en Castles of Burgundy schieten me spontaan te binnen, al draait het ook daar vooral om de speelduur. Verder worden sommige spellen zelfs harder met z’n tweetjes: onverbiddelijk, onvergeeflijk en zeker geen marge voor denkfouten (De Koningsburcht en Imhotep zijn er twee die ik recent nog gespeeld heb met twee spelers). Niet toevallig dus dat ook die spellen vaker op de tweedehandsmarkt opduiken, want niet voor pacifistische romantische koppeltjes (voor hen hebben ze wellicht het coöperatieve spel voor bedacht).

Sterke tweespelerspellen, maar toch ook aardig speelbaar met meer, als je daar tips rond hebt, dan mag je die zeker laten weten. Of omgekeerd natuurlijk, als je daar suggesties wilt, ik heb vaak wel een uurtje!

Iets te vieren

Vandaag is het de Dag van de Speler. Neen, niet het zoveelste commerciële hersenspinsel om je naar de winkel te lokken en geld uit je zakken te kloppen, wel de dag dat BFVS-FBJS de tornooispellen voor volgend seizoen voorstelt. En dat is niets te vroeg, want over exact vier weken, op 17 maart 2019, trekken weer tal van onze leden richting Zedelgem in de hoop de zege naar Mechelen te brengen.

Volgende week, zaterdag 23 februari, stellen wij in onze speelzaal vanaf 14:00 met veel plezier de nieuwe selectie van spellen voor en testen we die uiteraard onmiddellijk uit. Zo krijgen onze tornooispelers de spellen alvast in de vingers, maar ook al neem je geen deel aan de tornooien, dan nog ben je meer dan welkom om een spelletje mee te spelen, als sparringpartner zeg maar. In een volgend stukje komen we daar vast uitgebreid op terug.

Af en toe lieten we het al vallen, in onze Facebook-groep hebben we ook al onze foto aangepast. Op zaterdag 2 maart vieren we onze eerste officiële verjaardag en dan liefst niet in beperkte kring, maar bij voorkeur met zoveel mogelijk leden, met elk  van jullie dus.

Noteer dus zeker met stip in je agenda: zaterdag 2 maart om 20:00 in onze speelzaal!

Om 20:00 klinken we niet alleen met z’n allen op onze eerste verjaardag, we lichten ook kort de werking van onze vereniging toe, we blikken terug op een geslaagd 2018 en kijken al verder vooruit naar 2019 en 2020. Ben je nieuwsgierig, wil je graag weten wat er allemaal bij de dagelijkse werking van een vereniging komt kijken, dan is dat het uitgelezen moment om al je vragen te stellen. Heb je een leuk (of een knotsgek) idee, dan horen we dat ook heel graag.

Natuurlijk is het zoals steeds een spelavond, dus er mag, moet en zal zeker gespeeld worden. Niet dat we de lat hoog willen leggen, maar we hopen alleszins dat de opkomst op zaterdag 2 maart alle huidige records breekt, zodat wij nog wat extra motivatie krijgen om er extra hard tegenaan te gaan.

Zoals ze in het Frans zeggen: Venez nombreux!

Hapklare (h)appjes

Het is schering en inslag, niet alleen op onze spelavonden worden smartphones met bijhorende apps vlot tevoorschijn getoverd, ook op beurzen zie je spelliefhebbers en schattenjagers met de smartphone in de hand rondlopen. Vroeger zat iedereen het liefst met zijn neus tussen de spellen, nu zitten ze blijkbaar nog liever met hun neus op het scherm van hun telefoon. Nu ja, de nieuwe generatie zeker?

geekfacebook

De allereerste website waar een speler aan denkt, een website waar iedereen heel vroeg al op terecht komt tijdens een zoektocht naar informatie, is de geek, BGG of voluit Boardgamegeek. Het aantal idealisten dat heeft geprobeerd BGG een beetje uit te leggen om zo nieuwelingen wat wegwijs te maken, is ondertussen al niet meer te tellen. Boardgamegeek is dan ook geprogrammeerd als een Vlaamse koterij, een typische Basic-spaghetti (voor de programmeurs onder ons): een stukje hier, een stukje daar, waar niemand nog zijn weg in vindt. Ze zijn alles dan ook aan het herprogrammeren en herstructureren, maar dat doen ze al sinds ik mij er registreerde en dat is toch alweer ettelijke jaren geleden.

Neen, ik ga BGG dus niet uitleggen, dat moet je maar gaandeweg uitzoeken en uitvinden: rondkijken en surfen, klikken en doorklikken… en altijd kritisch blijven. Wel wil ik even de meest gebruikte, de handigste en de leukste functies overlopen.

De eerste is vast wel de rangschikking van spellen. Een spel dat nummer 1 staat op Boardgamegeek scoort en verkoopt en zal dat nog jaren doen. Puerto Rico stond jaren op één, moest een korte tijd zijn plaats afstaan aan Agricola en werd toen definitief van de troon gestoten door Twilight Struggle. Momenteel zijn deze oudjes (Puerto Rico 2002, Twilight Struggle 2005 en Agricola 2007) alweer naar de aardige subtop afgedaald. De Top 4 bestaat uit zeer recente spellen: Gloomhaven (2017), Pandemic Legacy Season 1 (2015), Through the Ages: A New Story of Civilization (2015) en Terraforming Mars (2016). Ja, dat is piepjong, want een spel moet natuurlijk voldoende hoge scores halen om tot boven te borrelen. De stand op Boardgamegeek reflecteert dus helaas allang niet meer “het beste spel”, maar wel “het meest populaire spel” en dat vergeet menig spelliefhebber wel eens. Een hoge plaats, een hoge score op de geek garandeert geen goed spel, zeker geen spel dat jij per se leuk zult vinden, wel een populair spel dat veel spelers leuk vinden. En veel, dat is niet iedereen, dus ook niet noodzakelijk jij. De waardeloze sectie “fans also like” mag je dus helemaal negeren.

De rangschikking, die mag je dus aan je laars lappen, of niet, dat is zoals je wilt. Wel kan je doorklikken naar de informatie van dat spel: zo kan je de gebruikte mechanismen snel ontdekken. Handig als je soortgelijke spellen of mechanismen wilt leren kennen, ook handig als je de mechanismen van naderbij wilt bekijken. Want nee, “worker placement” is niet zomaar “meeples op het bord zetten”, dat ligt iets subtieler. Maar goed, ik wijk weer af. Nuttige informatie dus: foto’s van het spel (in verschillende categorieën), wat informatie en natuurlijk massa’s recensies, een gigantisch uitgebreid forum (handig voor regelvragen) en een plaats waar je allemaal bestanden, geüpload door uitgevers en fans, terugvindt, zoals regelvertalingen, spelershulpen, varianten, fanuitbreidingen en wat nog allemaal.

Voor de koopjesjagers, schattenjagers of ridders op zoek naar hun heilige graal zijn vooral de GeekTrade en GeekMarket heel handig. GeekMarket is een hele afdeling van BGG waar alle leden hun spellen te koop kunnen zetten. Door het internationale karakter vind je zo vast wel dat ene unieke exemplaar… aan de andere kant van de wereld… voor een klein fortuin. Maar goed, je vindt het en dat is wel belangrijk. De prijs, nu ja, dat is een vraagprijs. Het spel zelf is slechts waard wat de zot eraan geeft. Die prijs kan je trouwens volgen bij price history. Handig dus als er nog eens iemand hard roept “het staat $300 op Boardgamegeek“, want dan kan jij terugroepen “de gemiddelde verkoopprijs is toch maar $75”. Afbieden wordt een pak fijner. Weet wel dat BGG een kleine commissie vraagt voor de GeekMarket, al kan ik niet zeggen hoe hard ze daar achter zitten. GeekTrade is iets lastiger: de meesten weten wel dat ze een spel for trade kunnen zetten om aan te geven dat ze het van de hand willen doen. De tegenhanger van for trade is want in trade, want zo kan BGG users gaan matchen: jij wilt een spel, de andere wilt een spel ruilen. Handig als je in een groot land woont, me dunkt, minder handig als je in België woont, want verzendkosten en invoerrechten maken van dat superkoopje algauw een financiële aderlating. Een andere trade is de mathtrade, maar dat hou ik voor een volgend stukje (herinner me er gerust eens aan).

Maar waar velen Boardgamegeek echt voor gebruiken, en dat is wellicht de handigste functie, is het bijhouden van je persoonlijke collectie: met owned en previously owned, wishlist en tradelist. Je kan een persoonlijke score geven, je kan commentaren geven, je kan je versie aanduiden, hoeveel je betaald hebt en ga zo maar door. Een grote databank van je collectie dus, als je dat nodig acht (ik wel, want ik kan echt niet meer onthouden wat ik wel en niet heb). Per spel kan je ook nog je spelletjes bijhouden, een groot logboek dus. Ik hou gewoon bij welk spel ik wanneer speel. Met wie, welke score, waar en zelfs met welke kleur, dat interesseert me dan weer geen moer. Maar dat is hoe ver je daar zelf in wilt gaan, natuurlijk. Van je collectie en van je spelletjes kan je dan statistiekjes bekijken, maar daar heb ik het al over gehad.

Minder gekend op de geek zijn de guilds. Een guild is zoals een Facebookgroep, je kan je aansluiten, dan zit je fijn in een guild. Spellenclub Mechelen heeft een guild, die heb ik op een blauwe maandag eens gemaakt. Nuttig? Bwa, dat weet ik niet. Veel leven is er niet in die brouwerij. Moet dat, neen, dat komt of dat komt niet, we gaan die dingen niet forceren. Wel zou ik willen wijzen op de beste mogelijkheid van de hele guild: “Collections: browse“. Je kan al raden wat dat doet: het geeft een overzicht van de gehele “clubcollectie”, het is te zeggen, je krijgt een overzicht van alle spellen van de aangesloten leden met het aantal leden die het spel hebben. Handig als je eens een spel wilt spelen, maar het niet wilt kopen of niemand kent die het heeft. Heel leuk vind ik dat, maar de kracht van die tool staat of valt met het aantal aangesloten leden. Heb je een BGG-account, hou je je collectie online bij, waarom zou je je dan niet aansluiten? Toch?

bgg

Boardgamegeek heeft ook een app. Die doet zowat hetzelfde, maar is in eerste instantie ontwikkeld om je plays bij te houden: een logboek dus, maar eentje met doorklikfunctie, zodat je ook alle informatie en fora binnen hand-(of is het klik-)bereik hebt.

Boardgamegeek heeft enkele tegenhangers. Trictrac is er zo eentje, het Franse broertje. Tijdens mijn jaren in Parijs heb ik daar aardig wat tijd op gesleten. Ik kan je er alleen maar voor waarschuwen. Het is een zwaar chauvinistische site die als missie heeft het Franse spel op te hemelen en al de rest af te kraken. Eenieder die meer dan een half woord kritiek durft uiten over een Frans spelontwerper wordt virtueel gestenigd. Tenzij je euforisch wordt van de taal van Voltaire of een bizar soort masochist, blijf je er best weg.

bsm

Bordspelmania bestaat ook. Ik gebruik het enkel en alleen als forum, maar het is ook een spellenwebsite en -databank die alle spellen waarvan nederlandstalige spelregels beschikbaar zijn, oplijst. Een nobel doel, maar volgens mij raakt het amper van de grond. Net daarom beperk ik me tot het forum.

bordspeler

Wil je echt al het Nederlandse en Vlaamse spellennieuws volgen, dan kijk je best naar bordspeler.nl, zowel een website als een Twitterkanaal. Erwin Broens levert al sinds mensenheugenis fantastisch werk. Hij zou er weldra mee stoppen, ik hoop dat hij die beslissing nog heel lang uitstelt. Degelijke informatie, zonder sensatiezucht, daar hou ik wel van.

Ik heb het al aangehaald (en het was eigenlijk het idee achter dit stukje), Boardgamegeek heeft ook een app, maar er zijn in spellenland ontelbare apps, dat de handigste toch even op een rijtje gezet mogen worden. Tja, handigste, smaken verschillen natuurlijk. Dus toch maar even over dat idee: op spelavonden horen we wel eens “hey, welke app is dat?” of “wat geef jij in op je telefoon?” Die vragen willen we hier even beantwoorden. Niet omdat iedereen zijn plays moet loggen, niet omdat iedereen een startspeler-app moet hebben, neen, maar we willen wel even vertellen wat er allemaal is.

Eigenlijk zou ik moeten beginnen met wat ik niet wil doen. Ik wil niet alle bordspellen die online te spelen zijn, opsommen. Ook niet alle spellen waar een app van bestaat. Zowat alle grote uitgevers zijn immers op de digitale apptrein gesprongen. De meeste bordspellen vind ik trouwens onspeelbaar op een smartphone, op een tablet ligt dat wellicht anders, maar ook daar ben ik geen fan van. Maar praat er gerust over op Facebook of op een spelavond, geen reden om het niet te doen.
Ik wil ook niet uitweiden over spellen met een app. Veel spellen met een timer hebben er eentje: Unlock! en FUSE schieten meteen door mijn hoofd. Je kent er vast nog andere, maar ook daar ga ik niet verder op in.

boardgame stats

Wel wil ik eens opsommen welke apps een spel of een spelavond leuker of aangenamer maken. Laat me daarbij beginnen met de lijstjes en statistiekjes uit mijn vorige stukje. Ooit, toen ik nog een iPhone 4S had, had ik Board Game Stats. Een fantastische app die toen nog in de kinderschoenen stond. Ik was er meteen fan van en hij is sindsdien wellicht alleen maar verbeterd. Een aanrader, naar wat ik me er van herinner.scorepal

Mijn iPhone sneuvelde, een nieuwe vond ik te duur. iOS verdween en Android kwam… een universum waar toen nog geen Board Game Stats in bestond (ondertussen wel hoor). Ik kan er niet over oordelen, maar voor iOS was-ie wel sterk. Een andere is ScorePal, die ik sinds mijn overstap naar Android gebruik. Handig om je plays bij te houden, handig om wat statistiekjes te trekken. Beide kunnen trouwens gelinkt worden aan je Boardgamegeek-account. Of dat nuttig is, nu ja, zoals gezegd kan de BGG-app ook je plays bijhouden. Ieder zijn meug dus, doe waar je je goed bij voelt.

start player zman

Bij zowat elk spel ga je op zoek naar een startspeler. Ook dat is voer voor een leuk stukje: wie het laatst in een kerk geweest is, wie het meest op een aap lijkt, wie het meest op een piraat lijkt, wie het laatst een boom geplant heeft of gewoon de jongste, de oudste, de grootste, de kleinste en een zeldzame keer de eigenaar van het spel. Maar ik wijk af, later dus (herinner me daar ook maar aan). Dat het een gat in de markt was, wist Ted Alspach al in 2008 toen hij Start Player bedacht. In 2011 bracht hij ook TieBreaker uit, maar dat is voor mij minder noodzakelijk. “There is no second place,” had ik dat al gezegd?

chwazi

Een startspeler zoeken, dat is echter elke keer weer nodig. Je kan hiervoor de spelregels volgen, je kan ook met ScorePal of Board Game Stats de spelers shuffelen, wat zeker werkt. Maar sinds David Chwazi op een spelavond introduceerde, raakt het wel aardig ingeburgerd. Chwazi is trouwens niet meer de enige, er zijn heel veel startspelerapps, ook apps zoals Chwazi: elke speler plaatst een vinger op het scherm en de app selecteert een startspeler. Eenvoudig en snel, meer moet dat niet zijn. Maar blijf vooral de manier gebruiken waar jij je het best bij voelt. Bij mij is dat nog steeds “de meest afwijkende”, waarbij je van alle spelerskleuren één pion, token, meeple of wat dan ook nonchalant op tafel gooit. De meest afwijkende begint. Zelfs bij twee spelers wilt dat (soms pas na een paar keer) wel lukken.

iroller

Voor wargamers als ik zijn er ook dobbelapps. Niet dat ik er enorme nood aan heb om al mijn dobbelstenen door een app te vervangen, maar heel soms is het wel praktisch. Dan is een app die veel verschillende soorten dobbelstenen aankan wel handig. Voor Memoir ’44 heb ik een tijdje Mem ’44 Dices Roller gebruikt, een app die algauw vervangen werd door iRoller, een app die dobbelstenen voor Battlelore, Commands & Colors, Memoir ’44, Catan en Formula D beschikbaar heeft (misschien nog andere), naast de gebruikelijke set D4 tot D100 natuurlijk. Al moet ik toch wel toegeven dat niets, al zeker geen app, de echte dobbelstenen kan vervangen.

gloomhaven

Ook handig zijn de campaign trackers voor RPGs. Voor Gloomhaven gebruik ik er zo eentje, vooral omdat ik in drie verschillende campagnes speel. Dan wil je wel eens de draad kwijt raken. En gezien mijn warhoofd ook nog regelmatig alle papieren wilt kwijtspelen, is zo’n app wel handig. Er bestaat ook een Gloomhaven app voor alle scenario’s. Op je telefoon is dat waardeloos, op een tablet is dat wel weer handig, vooral omdat het scenario mondjesmaat getoond wordt, zodat je -zelfs in soloplay– geen spoilers hebt. Of dat echt nodig is, natuurlijk niet, maar het kan en dat is wat telt.

survey party

En vanzelfsprekend kan er geen post meer zijn zonder een dikke vette knipoog naar 18xx Belgium. Die spellen duren lang en tellen kan na ettelijke uren al eens wat moeilijker gaan. Ook de optimale route berekenen, wilt dan niet meer lukken. Dan snelt een app je te hulp, enkel op iOS helaas, maar Survey Party levert wel uitstekend werk. Ok, het algoritme is traag, maar dat ben jij ook na 6 uur spelen.rails

Voor 1830 is er Rails, een java-programmaatje, dat in een fractie van een seconde de optimale route berekent. Een 1830-simulatie met 5 spelers doe je op minder dan een uurtje. Op onze winterconventie werd 1830 gespeeld met 5, echt bord, maar ondersteund door een computermoderator. Geen gedoe met chips of aandelen, enkel nog de tegels leggen op het bord. De speeltijd werd prompt gereduceerd tot 3 uur (i.p.v. de gebruikelijke 6). Daar mag je dus gerust een app voor gebruiken.

Gebruik dus zeker je smartphone op een spelavond, zolang het maar het spelen ten goede komt en je niet uren met je andere vrienden zit te chatten. Tijd voor een spelletje, tijd voor een babbel en soms ook tijd voor een appje.

Lijstjes, statistiekjes en hopeloze voornemens

Het is februari, eindelijk. Niet dat ik zo gelukkig ben met de kortste maand van het jaar, neen, ik ben vooral blij dat januari achter de rug is. Januari is immers de maand waarin je wordt doodgegooid met goede voornemens en waardeloze lijstjes. Op de radio vind ik die lijstjes nog kunnen: De Tijdloze Honderd op Studio Brussel zet ik met veel plezier op. Ook De Zwaarste Lijst kan ik doorgaans wel appreciëren. Muzieklijstjes, daar hou ik wel van. Van alle andere zooi krijg ik de kriebels.

Op Boardgamegeek en Bordspelmania (en wellicht op veel andere plaatsen) word je overstelpt met lijstjes: overzichten van het vorige jaar en goede voornemens, doelen en uitdagingen (challenges vind ik immers zo’n lelijk woord). Blijkbaar snuistert het gros van de spelliefhebbers maar al te graag door andermans lijstjes. Dat zie je ook bij de kooplijstjes van Spiel, al kan ik dat fomo-gewijs nog begrijpen: “heb ik iets gemist, wat vloog er onder mijn radar door?” Maar verder, neen, ik heb het er niet zo mee. Ook statistiekjes laat ik liever aan mij voorbij gaan, al kijk ik wel met veel plezier naar mijn eigen spelersstatistieken. Niet dat ik ooit de drang voel om deze nutteloze informatie te delen met anderen, zo extravert ben ik niet, gelukkig maar (denk ik dan).

cyanide stats

Op Boardgamegeek pronken ze al jaren met dollars, half-dollars, quarters, dimes en nickels. Dat zijn spellen die je respectievelijk 100, 50, 25, 10 en 5 keer gespeeld hebt. Wat de lol is de spellen die je 5 (vijf!) keer gespeeld hebt, te tellen is, weet ik niet. Ik denk dat enkel extreme cult-of-the-new-freaks niet aan vijf spelletjes geraken. Zo niet vermoed ik dat een degelijk spel toch wel minstens vijf partijtjes verdient alvorens opgehemeld of neergesabeld te worden. Dus aan alle recensenten die hun ongezouten mening geven na amper één spelletje, neem je hobby iets ernstiger en ga niet over een nacht ijs.

100 keer een spel spelen, dat lijkt wellicht voor velen een schier onmogelijke opdracht. Belangrijk is om dat te relativeren, er staat immers geen tijdslimiet op. Bij een degelijke gouwe ouwe kom je na verloop van tijd wel aan 100 keer spelen. Bij een kort tussendoortje wellicht ook. Het hangt er dus ook vanaf wat je speelt, en waar, wanneer en met wie.

De discussie over de zin en onzin van statistiekjes komt regelmatig terug. In een vorig stukje schreef ik al iets over de H-index (waarmee meteen de aanzet voor dit stukje gegeven werd). De waarde van deze index geeft aan dat je n spellen n keer gespeeld hebt. De H-index is een degelijke en robuuste index. Fanatiekelingen bijten er vaak hun tanden op stuk, want de H-index laten stijgen blijkt, na verloop van tijd, een huzarenklus. Juist daarom wordt deze index wellicht snel van tafel geveegd, al is-ie wel terug populair geworden door de 10×10-challenge, waar sommigen zelfs een fancy pancy bord voor kopen om in hun woonkamer te hangen. Zot zijn doet geen zeer, gelukkig maar. Eigenlijk komt zo’n 10×10-challenge erop neer dat je je H-index van het jaar naar 10 tracht te krijgen: je engageert je dus om 10 spellen minstens 10 keer te spelen, H-index 10 dus. Of die uitdaging leuk is of zinvol of effectief een uitdaging, dat laat ik aan jullie over.

De H-index geeft informatie over hoeveel spellen je heel vaak speelt. Het grote nadeel van de index is dat hij geen informatie geeft over je collectie. Je kan een hoge H-index hebben zonder ook maar één spel te hebben. Je kan ook een gigantische collectie hebben en een H-index van amper 1 hebben, versta: je speelt elk spel maar één keertje. En laat dat nu net de grootste uitdaging zijn van menig spelliefhebber. Ik ken niet veel echte verzamelaars (die liever hebben dan spelen), zowat iedereen noemt zich speler (die liever spelen dan hebben), maar toch kampt iedereen met een uitpuilende spellenkast en probeert iedereen dus de mindere spellen te verkopen, te slijten of gewoonweg te dumpen op Facebook. Jaja, dat had ik al gezegd. Geen wonder dus dat spelers zoeken naar statistiekjes, naar cijfers, om in te schatten of hun collectie niet te groot is, of ze wel voldoende spelen, of elk spel wel voldoende aan bod komt. Nu ja, dat is natuurlijk puur subjectief, dus kan je dat wel in cijfers vatten? Wat maakt het uit, je vindt het vast leuk om te zien.

In dit oud draadje op Bordspelmania stelt olafv een nieuwe indicator voor, de C-ratio. Hij voert deze waarde in om spelers te helpen grip te krijgen op hun collectie. De C-ratio is dan ook niets anders dan de verhouding van de H-index over de grootte van de collectie. Heb je heel veel spellen die je niet heel vaak speelt, dan gaat jouw C-ratio al snel asymptotisch naar nul. Speel je daarentegen veel spellen heel vaak, maar bezit je zelf amper spellen, dan ga je weer asymptotisch naar oneindig (bij een collectie van nul dus). Hoewel deze ratio leuk bedacht is, is hij wellicht heel moeilijk interpreteren en geldt er enkel “hoe hoger, hoe beter”. En gezien de H-index steeds moeilijker op te krikken is, is een evidente oplossing jouw collectie uitdunnen. olafv haalt zo vast zijn doelstellingen (de collectie binnen de perken houden), maar de C-ratio is an sich weer heel onduidelijk. Het is immers een verhouding van spellen die je vaak gespeeld hebt (en niet noodzakelijk bezit) over de grootte van de collectie (die je ook niet noodzakelijk gespeeld hebt).

cymric, vooral een speler, stelt dus op Bordspelmania voor om de indicatoren bevattelijk(er) en eenduidig(er) te maken. Het idee van de H-index te schalen over een andere grootheid ligt hem wel, maar hij neemt de verhouding van H-index over het totaal aantal gespeelde spellen (en noemt het de H-ratio). De maximale waarde is 1 (of 100%) en dat is leuk: er is een maximale waarde die je kan nastreven. Die maximale waarde haal je enkel als je alle spellen die je ooit gespeeld hebt, minstens net zo veel keer gespeeld hebt (dus als je 100 verschillende spellen hebt gespeeld, dat je die ook allemaal 100 keer gespeeld hebt). Tenzij je slechts enkele spellen speelt, is een 100%-score dus een utopie of totale waanzin, wat jij wilt. Een echte nulscore kan niet, maar je kan wel richting nul gaan, door heel veel spellen te spelen, maar geen enkel vaak. Dan heb je een lage H-index die je zal delen door een enorm aantal. Zo kom je inderdaad op nul. Zegt deze waarde iets over je collectie en verzamelwoede, neen. Zegt deze waarde iets over jou? Ja, in het bijzonder of je een cult-of-the-new-aanhanger bent of net niet. Maar of dat nu belangrijk is, dat maak je dan weer zelf uit.

Zelf hecht ik niet veel belang aan statistiekjes, maar ik vind ze natuurlijk wel leuk. Mijn collectie is aanzienlijk, maar veel spellen wil ik ook niet zomaar weg doen. De eerste edities van kleine onbekende uitgevers, daar hou ik wel van. Je weet wel, de originele versie, alvorens die wordt opgepikt door een grote uitgever. Zo staan er wel wat Japanse hebbedingetjes in mijn kast: Love Letter, R (Braverats bij 999Games) en The Ravens of Thri Sahashri,  om er maar enkele te noemen. Zal ik die ooit wegdoen? Neen, hoogst onwaarschijnlijk. Zal ik die vaak spelen? Allicht niet, maar ook dat is deel van de hobby. Ook heb ik wel wat schrik om iets niet te hebben. Noem het fomo of completitis, zoals je wil, maar heb blijft beperkt tot enkele spellen. Lord of the Rings LCG is er zo eentje. Dat spel zal ik spelen tot ik erbij neerval en de schrik dat de quest packs ooit definitief out of print geraken, zit er diep in. Kopen dus, just in case. En zo groeit de collectie gestaag.

Toch vertrekken spellen ook vaak. Een mechanisme dat me niet ligt, is de grootste oorzaak, vermoed ik. De tweede oorzaak is dat het spel verdrongen wordt door een nieuw en beter. Denk maar aan Evo, dat definitief de duimen moest leggen toen Cyclades én Dominant Species samen in de kast stonden. Hiervoor is het bijhouden (loggen) van spellen (plays) wel nuttig. Je voelt immers wel aan dat je een spel al lange tijd niet meer gespeeld hebt, maar door een logboek bij te houden, kan je het verifiëren, word je geconfronteerd met de harde waarheid. Stof vangen in de kast is geen enkel probleem, als die kast maar groot genoeg is. Stof vangen in een te krappe kast, dat geeft pas problemen. De derde oorzaak van vertrek is -jammer, maar helaas- een gebrek aan medespelers. Al kan ik dat nu beter inschatten en neem ik veel minder snel een drastische beslissing dan vroeger. Ik heb een tiental jaar geleden zowat mijn halve wargame-collectie verkocht omdat ik er toen de medespelers niet voor had. Nu ligt dat anders, maar mijn voorkeur en collectiesamenstelling liggen ook anders. Opnieuw kopen is dan een optie… maar liefst meer doordacht.

Maar mijn statistiek, waar ik de meeste waarde aan hecht, is ontegensprekelijk de kost per uur per speler. Ooit kocht ik in Essen The City (later uitgebracht als Metropolis door 999Games), voor € 6.50, een race-spelletje dat me wel ligt en dat ik ondertussen al (meer dan) 130 keer gespeeld heb. Dat komt dus neer op (minder dan) 5 cent per spelletje, spelletjes met minstens 2 spelers van pakweg 10 minuten. De kostprijs is momenteel dus minder dan 15 cent per speler per uur (en kan enkel verder dalen), iets waar je dus niet echt van kan wakker liggen. Ik denk dat dat wel lichtjes anders ligt bij vele Kickstarters.

Ook grotere spellen halen een goede kostprijs hoor. Ik denk dat ik mijn Memoir ’44-collectie zo’n 400 euro betaald heb. Met meer dan 300 tweespelerspelletjes van minstens een uur (Breakthroughs duren ongeveer 2 uur, D-Day Landings duren makkelijk 3 uur) kom je momenteel op ongeveer 65 cent per speler per uur. Die spellen zijn de investering dus meer dan waard. En dat is dus mijn grote uitdaging: de effectieve kostprijs van een spel terugbrengen tot minder dan 1 euro per speler per uur. En dat is vaak makkelijker dan je denkt, want de leuke 18xx, Steam over Holland, die je nog wel kan kopen voor 75 euro (ik vond hem tweedehands zelfs aan 29 euro), heb ik ondertussen 8 keer gespeeld, met minstens 3 spelers en een speeltijd van (iets meer dan) 3 uur. Met mijn tweedehandsspel kom ik zo aan een kostprijs van 40 cent, een nieuw exemplaar zou me nu al op slechts 1 euro per speler per uur zetten. Ik heb dus inderdaad een goedkope hobby. Als cinefiel zou ik gigantisch veel meer kwijt zijn.

Survival of the Fittest: Dominant Species

ds in de kijker

Spel in de kijker: Dominant Species – 2 februari 2019

Sinds Dolly, het allereerste gekloonde zoogdier (1996), de opkomst van genetisch-gemodificeerde organismen (van bacteriën over planten en insecten tot zelfs bepaalde zoogdieren) en recent genetisch-gemodificeerde baby’s (twee om juist te zijn, door de Chinese arts Jiankui He) wordt Darwins survival of the fittest steeds meer buitenspel gezet.

Toch is het die survival of the fittest waar menig bordspel op gebaseerd is. Ik geef toe, evolutie an sich wordt zelden gebruikt als spelthema. Origin (2013) schiet me meteen te binnen (een mooi uitgevoerd en aardig familiespel met pit) toont hoe de mensheid evolueerde en migreerde. Ursuppe (1997) was rond de eeuwwisseling razend populair, wellicht omdat het thema (als amoebe tracht je zo efficiënt mogelijk te migreren, te evolueren en te reproduceren) eens totaal anders was, een buitenbeentje dus. Het trage spelverloop en het gevaar op AP (je weet wel: analysis paralysis, waardoor de wachttijd richting oneindig schiet) hebben wellicht het spel de das omgedaan. Ook dat is survival of the fittest. Een andere leuke van die tijd is Evo (eerste editie: 2001; tweede editie: 2011), een van mijn toenmalige favorieten die ik aardig vaak heb gespeeld. In Evo tracht je jouw dino’s zo slim mogelijk te laten evolueren om hun dominantie op de planeet te verzekeren en hun overlevingskansen te maximaliseren. Tot de meteoriet inslaat natuurlijk, want dan gaat onherroepelijk het licht uit. Evo heeft mijn collectie in 2011 verlaten. Een van de schuldigen is Cyclades. Cyclades en Evo delen namelijk hetzelfde biedmechanisme, een biedmechanisme dat bij ons vooral bekend werd door de 999Games-versie van Amon-Ra (2003). In 2016 wist Evolution: Climate talloze spelers te charmeren. Het spel zelf doet haar naam alle eer aan, want Evolution: Climate is een herwerking van Evolution (2014), dat zelf al een herwerking was van Evolution: Origin of Species (2010). Het toont aan dat de ontwikkeling van een spel aardig wat testspelletjes, kritische spelers en schaafwerk vraagt. Evolution: Climate staat ook bij mij in de kast. Al bij het eerste spel was ik gecharmeerd, maar echt onverwacht was dat niet, ik hou wel van combo-kaartspellen, zeker van de stevigere soort (zoals Innovation, Omen en het onbekende Brawling Barons).

Om terug te komen op Evo, ik vond het geweldig: een venijnig biedmechanisme, aardig wat conflict op het spelbord en een leuk thema. Meer moest dat niet zijn. Althans, dat dacht ik toch. Cyclades combineerde net hetzelfde: bieden, conflict en een leuk -Oudgrieks- thema. Toch had ik een zwak voor het evolutie-thema en Evo kon en mocht perfect stof vangen in mijn kast, wie weet mocht het zelfs af en toe nog eens op tafel komen. Maar dan, nog geen jaar na Cyclades, kwam Dominant Species (2010). Alles wat Evo deed, deed Dominant Species echter beter. Het staat bij mij sindsdien op het hoogste schavot, broederlijk naast Cyclades.

ds

Algemene regels en principes

Dominant Species gaat over de komst van een ijstijd waardoor diersoorten moeten migreren en zich aanpassen om hun voortbestaan te garanderen. Tot 6 dierklassen kunnen het spel spelen, elk met hun eigen sterke eigenschap. Bovenaan de voedselketen staan de zoogdieren (één dier per ronde blijft gespaard van uitsterving), gevolgd door vogels (vliegen twee gebieden ver per verplaatsing), reptielen (zijn beschermd tegen één regressie per ronde), amfibieën (hebben één extra water-voedingspunt), spinachtigen (doden één extra dier per ronde) en insecten (brengen één extra dier per ronde voort). De voedselketen is enorm belangrijk, want die geldt als tiebreaker gedurende het hele spel. Zoogdieren hebben dus zeker een streepje voor. Ter compensatie begint men het spel in omgekeerde spelersvolgorde, dus insecten eerst. Dat klinkt misschien zwak, maar het is niet zo eenvoudig om het initiatief over te nemen. Die balans zit dus zeker goed.

Een ronde in Dominant Species bestaat uit twee grote fasen: het plaatsen van de actiepionnen (fase 1) en het uitvoeren van alle acties (fase 2). Inderdaad, Dominant Species omarmt het worker placement-mechanisme als geen ander. Geen workers, maar actiepionnen hier, maar what’s in a name? In spelersvolgorde (dus de eerste ronde insecten eerst, zoogdieren laatst) zet je een actiepion op een vrije plaats. Als iedereen al zijn actiepionnen heeft gezet, start fase 2. Het aantal pionnen is trouwens ook fijn gebalanceerd: 3 als je met 6 speelt, 7 als je met 2 speelt. Zoals steeds, eerst is eerst en op is op. Het aantal acties is beperkt, het aantal plaatsen is beperkt. Het plaatsen van je actiepionnen zal gepaard gaan met gezucht en gekreun, gemompel en vooral gevloek.

img_20190120_2015437945280392886285773.jpg

De tweede fase, het terughalen van je actiepionnen en het uitvoeren van de acties, is uiteraard de essentie van het spel. Je merkt duidelijk de onmiskenbare invloed van Caylus (2005). De eerste actie is initiative, waarmee je niet alleen één plaatsje stijgt in spelersvolgorde, het is ook een wacht-actie, m.a.w. je mag je actiepion alsnog naar een vrije plaats verplaatsen. Het belang van iets achter de hand te houden, is zelden belangrijk (later [laatst] spelen is immers vaak nadelig), maar bij momenten kan deze subtiliteit toch een enorme deining veroorzaken. De volgende acties hangen samen: adaptation spreekt voor zich, hier kan je evolueren en je aanpassen aan het aanwezige voedselaanbod. De daaropvolgende regression doet net het omgekeerde: hier verlies je net een modificatie (zal wel een allergie zijn). Hier tonen de reptielen hun sterkte. De samenhang van adaptation en regression gaat nog verder, want elke ronde schuiven de voedselfiches door (wat dieren niet lusten bij adaptation, zal dus afsterven bij regression).

Daarna komt een cluster van 3 acties. Bij abundance mag je een voedselfiche op het bord leggen, op de kruising van 3 zeshoekige tegels, waardoor de aangrenzende gebieden extra voedsel leveren. Bij wasteland zal er net voedsel verdwijnen van het bord en wel alle voedsel aan de rand van de gletsjer. De opkomende ijstijd eist z’n tol. En als dat niet genoeg is, kan de meest gemene speler bij depletion nog een voedselfiche naar believen van het bord weghalen. De uitsterving dreigt, maar laten we eerst de andere acties overlopen.

De volgende actie is glaciation, waar het hele spel om draait. Het is meteen de enige actie waar je actiepion in de wachtrij kan gaan staan voor latere rondes. De speler die glaciation heeft, kiest welke tegel hij definitief laat dichtvriezen. Dat levert bonuspunten op, maar laat alle dieren op dat gebied, op een na per klasse, doodvriezen. Na de vrieskou volgt speciation, waar alle dieren gaan kweken, tenminste als je daarvoor kiest natuurlijk. Bij het zetten van je actiepion, kies je al rond welke grondstof je zal kweken, bij het uitvoeren van de actie kies je een voedselfiche van dat type en zet op de aangrenzende gebieden een aantal dieren bij (het aantal is afhankelijk van de het terreintype). En soms loopt dat wel eens mis. Insecten kweken altijd… eentje… op een gebied naar keuze. Daarmee zijn die irritante zespoters meteen extra lastig.

Tijdens wanderlust, het woord zegt het zelf, trekt jouw kudde erop uit: je kiest een van de openliggende terreintegels en legt deze aan waar het jou goed uitkomt (of net niet). Dat levert, net zoals bij glaciation, wat bonuspunten op. Het net ontdekte gebied kan gelijk bevolkt worden door dieren vanop de aangrenzende gebieden, waarbij je de volgorde van de voedselketen (zoogdieren eerst dus), respecteert. Dit is al een eerste manier van bewegen. Een goede inschatting en combinatie van wanderlust met migration laat je grote afstanden afleggen. Migration is immers eenvoudig, afhankelijk van je actiepion mag je 7 (als je als eerste speelt) tot maar 2 (als je als laatste speelt) dieren één gebied verplaatsen. Vogels mogen 2 gebieden ver vliegen. Dat vliegend ongedierte zie je soms dus niet aankomen.

De hele migratiestromen op de kleine planeet zorgen voor onrust, en onrust leidt tot conflict. De competition is hard en dieren die inzetten op competition mogen één dier van een andere klasse op drie gebieden waar ze samen aanwezig zijn (het terreintype wordt bepaald door de gekozen actie), elimineren. Dat is een mond vol, maar de ene vreet de andere op, zo simpel is het. En met één is het buikje vol, dus moet je maar een ronde wachten. Uitmoorden vraagt tijd, maar het lukt wel, geloof me vrij. De spinachtigen beginnen trouwens met opvreten, eentje naar keuze, of ze nu voor competition kiezen of niet. Arachnafobie moet ergens een reden hebben.

received_19504303852526945463226289379479564.jpeg

Tot slot is het tijd om punten te scoren tijdens domination. De speler die zijn actiepion bij domination heeft staan, mag kiezen welke terreintegel gescoord wordt en hier zit ook een flink stuk van de charme van Dominant Species. Als een tegel gescoord wordt, tel je de meerderheden op de tegel. De speler met de grootste kudde scoort de meeste punten (met de voedselketen als tiebreaker). De punten zijn afhankelijk van de tegel, zeeën scoren het meest, gevolgd door wetlands. De bergen en woestijnen scoren dan weer erbarmelijk laag. Bij zeeën scoren zelfs de beste 4, bij woestijnen slechts 2. Och ja, Een gletsjertegel scoort ook, 1 puntje voor de heerser. De moeite niet om je moe te maken (alhoewel, voor later misschien). Nadat het gebied gescoord werd, mag de dominante speler echter één van de 5 openliggende actiekaarten kiezen. Dominante speler? Inderdaad, en dat is niet noodzakelijk de houder van de meerderheid. Dominantie wordt berekend op basis van voedselfiches op het gebied en de genen die je hebt. Dat maakt de amfibieën in het water meteen zo goed. Dit mechanisme van een dubbele meerderheid (numerieke meerderheid vs. dominantie) creëert heel leuke dilemma’s.

Met domination is de ronde afgelopen. Dieren zonder voedsel komen om (van de honger, uiteraard), één zoogdier kan overleven. De klasse met de meeste dieren op de gletsjer scoort de survival-bonus en dan na wat geschuif met voedselfiches zijn we klaar voor een volgende ronde. En dat doen we tot de ice age-kaart genomen wordt. Dan is het onherroepelijk gedaan. Bij het begin van de ijstijd krijg je bonuspunten naar jouw dominantie, daarna worden op elke tegel nog eens de meerderheden gescoord. Gletsjerbonus, dominantiebonus en meerderheden, ze schudden de puntenstand eens goed door mekaar. Spannend tot het einde dus.

ds bord

Bespreking

Materiaal

Het materiaal is GMT-kwaliteit: stevig bord, stevige tegels en degelijke kaarten. Sleeven is geldverspilling, want ik ken niemand die sinds de release van Dominant Species het spel tot op de draad versleten heeft. Zowat alles staat op het spelbord en de compacte en toch overzichtelijke player aids. Ook de regelboek leest aangenaam, ook zoals we van GMT Games gewend zijn, al is Dominant Species wel leesbaar zonder enige voorkennis (denk ik). Ik vermoed dus dat vooral de speelduur en de harde en felle spelersinteractie het spel weghouden van het grote publiek.

Spelverloop

Dominant Species kan je indelen bij de 4x-spellen: explore, expand, exploit en exterminate en moet daardoor vaak de vergelijking met Twilight Imperium en Space Empires 4x doorstaan. Te begrijpen, maar niet helemaal correct. Alles in Dominant Species gaat traag, nog net niet gletsjer-traag, behalve dan het spelverloop en de spanning, die stijgt pijlsnel. Nieuw gebied ontdekken en innemen gaat traag. De gletsjer vriest maar traag aan en een tegenstander uitroeien gaat ook al tergend langzaam. Maar de aanhouder wint en plots is het eten op, plots sta je geïsoleerd op een ijsschots, plots ben je omsingeld en is er geen ontkomen meer aan.

De wachttijden in Dominant Species zijn bijzonder kort en net daardoor voelt het spel zo vlot en snel aan. Ok, er wordt wel eens gedacht waar je je actiepion wil zetten, maar dat is het zowat. En zoals gezegd kan een migratie van 7 diertjes ook wat tijd in beslag nemen, zeker als je twee migraties na elkaar mag doen, maar dat is eerder uitzondering dan regel. Je bent snel terug aan de beurt om je actiepion te plaatsen, je bent snel aan de beurt om je actie uit te voeren. Altijd iets te doen, altijd iets te beleven.

De leuke dilemma’s van worker placement komen tot hun volste recht in Dominant Species. Je kunt zo weinig, je wilt zoveel en daarbovenop wil je alles snel, hier en nu, terwijl je voor alles net tijd nodig hebt. Geduld is een mooie deugd. Het trage opbouwen naar suprematie en dominantie maakt het een pareltje voor strategen: op lange termijn plannen en nooit het ultieme doel uit het oog verliezen.

Tegelijkertijd blijft het een meerderhedenspel, met twee soorten meerderheden (zoals gezegd), waar de ene punten oplevert en de andere actiekaarten (die je absoluut niet wilt missen, laat staan afgeven aan een ander). Meerderheden dwingen je om opportunistisch te spelen, op korte termijn je toch steeds aan te passen om hier en daar een puntje mee te snoepen, om mee te liften of om een fenomenale slag te slaan, hopelijk niet te vroeg en al zeker niet te laat. En dat is dus tactiek, iets waar ik me helemaal goed bij voel.

Een mengeling van strategie en tactiek (maar toch veel tactiek), een combinatie van meerderheden en worker placement, onder een koepel van 4x met beperkte, maar duidelijke individuele sterktes van de spelers. Passieve interactie bij het blokkeren van acties, actieve interactie bij het veroveren van terrein en het uitmoorden van de ander. Terwijl ik het schrijf, vraag ik me vooral af wat men niet goed zou vinden aan Dominant Species.

Ook dat weet ik hoor: de chaos en onvoorspelbaarheid als je met 5 of 6 speelt. De langere speelduur (een snedig spel kan makkelijk 4 uur duren, ook al voelt het zo niet) schrikt ook wel wat mensen af. En natuurlijk het totale gebrek aan willekeur en geluk. Je moet tegen een stootje kunnen, het is dan ook het recht van de sterkste. Vrienden maak je niet tijdens dit spel hoor, maar plezier des te meer. Het is even wennen, maar het is maar een kleine aanpassing. Ook dat is evolutie.

Dominant Species, GMT Games, 2-6 spelers, 2-4 uur

Bron foto’s: GMT Games & Boardgamegeek

Cult of the New (part 2)

Soms herken ik aardig wat van Wim Helsen in mezelf. Je begint een verhaal, maar wijkt wat later af van de verhaallijn om iets te verduidelijken. Ook daar dwaal je weer van af en na tig zijsprongetjes ben je zo ver verwijderd van de kern van het verhaal, dat je het gewoon maar laat. Wim Helsen wist zich in zijn conferences steeds weer terug te worstelen naar de kerngedachte. Dat was de kracht van de voorstelling: na zoveel omzwervingen komt alles mooi weer samen, een perfecte pointe.

Ik had het in mijn eerste stukje over de cult of the new. Helaas was ik te ver afgedwaald om terug te gaan en wordt het een stukje in twee delen. Ik hoop dat ik nu wat meer bij de les blijf.

Cult of the new daar ging het over, de hunker naar iets nieuws, in ons geval naar nieuwe spellen. Toen ik mee de spellenclub oprichtte, was ik al aardig over mijn cult of the new heen. Sterker nog, ik ben trots op mijn hoge H-index (een term die oorspronkelijk bedoeld was als citatie-index voor wetenschappers) van gespeelde spellen.  Ter informatie, mijn H-index is momenteel 32, wat wil zeggen dat ik 32 spellen meer dan 32 keer gespeeld heb (maar goed, dat is weer zo’n zijspoor, dat ik nu bewust links laat liggen), maar ik ben er niet obsessief mee bezig. Alweer zo’n valkuil voor een overenthousiaste spellenliefhebber. Ook de wargamer in mij heeft geholpen de koopwoede te temperen. Gelukkig vind je wargames niet zo makkelijk in Vlaamse winkels, ze zijn ook nog eens duur (want vaak Amerikaanse import), hebben een lange speeltijd en zijn onnoemelijk complex. Je denkt dus echt wel twee keer na vooraleer je minstens € 120 neertelt voor een tweepersoonsspel dat 9 uur duurt. Door de spellenclub heb ik David leren kennen, een meevaller op meerdere vlakken: ik kon eindelijk mijn wargames op tafel krijgen en -zelfs zonder het uit te spreken- gingen we onze collecties complementair maken: David koopt andere spellen dan ik, maar wel met de intentie ze samen te spelen. Een serieuze win-winrelatie. Voor 18xx is het ook zo gelopen. En zo geraak ik eindelijk waar ik wou komen.

Onlangs ging ik een tweedehands exemplaar van 1830 ophalen bij een jong koppel. Een snelle blik in hun spellenkast leerde me dat hun voorliefde uitging naar Ticket to Ride en Dominion. Een praatje van enkele minuten leerde me dat de completitis hen ook al aardig gebeten had. De Dominion-dozen stapelden zich op en de map collection van Ticket to Ride raakte ook al compleet. De donderslag bij heldere hemel kwam er echter bij de vraag of ik Brug naar de hemel kende. Dat spel was voor hen immers geen brug naar de hemel, maar wel een brug te ver: te moeilijk voor hen, echt niet hun ding. En daar stond ik dan, met 1830 in mijn handen te luisteren hoe ze Brug naar de hemel te zwaar vonden. Het antwoord op mijn vraag waarom ze in ’s hemelsnaam op de onzalige gedachte waren gekomen om 1830 te kopen, was uitermate voorspelbaar: treintjes (want we houden van Ticket to Ride), 999 Games (een keurmerk voor het betere gezelschapsspel toch?) en Boardgamegeek (het spel staat op plaats 174 [plaats 94 van de strategische spellen] en kan dus niet anders dat goed zijn want wij houden wel van strategie [en ook dat is een grote ergernis van mij, want menigeen kent het verschil niet tussen strategie en tactiek, maar ik wijk af]). En zo was ik weer ontroerd door de zoveelste hyperenthousiaste nieuweling in spellenland die zich had laten vangen aan blind kopen van een spel dat toch iedereen goed vindt. Het werd helemaal aandoenlijk toen ze me vertelden dat ze het ook gespeeld hadden: één keer, met z’n tweetjes. Hij had de regels gelezen en alles klaargezet en na 3 uur ploeteren hebben ze er maar de brui aan gegeven. 1830 is niets voor hen en zal nooit iets voor hen zijn, dat was de harde weer-beide-voetjes-op-de-grond-conclusie. Maar is dat wel zo?

Onlangs publiceerde Rails on Boards een stukje over hun eerste keer 1830. Een artikel dat ik met veel interesse heb gelezen en me deed nadenken, in het bijzonder over de meerwaarde van een spellenclub.

Spontaan moest ik terugdenken aan mijn (toenmalige) vrienden in Parijs die me geïntroduceerd hebben in tal van spellen, Battlelore 1E en Memoir ’44, om er maar twee te noemen. Dat zijn spellen, net zoals Commands & Colors (alle van R. Borg) met een uitstekende regelboek die je systematisch wegwijs maakt in het spel. Maar je wilt die echt niet zelf lezen. Je wilt echt niet die spellen met twee beginners leren kennen. Het eerste scenario van al deze spellen is trouwens zwaar onevenwichtig en net ontwikkeld om een ervaren speler een nieuweling te laten introduceren. Door de zware onbalans kan de nieuweling zich wat fouten permitteren, moet de ancien alles uit de kast halen, wie weet zelfs echt geluk hebben met de dobbelstenen. De regels zijn dus een naslagwerk om regels op te frissen, om disputen uit te klaren, om twijfel weg te nemen. Hoe twee beginners hun eerste veldslag beleven, wil ik echt niet weten: zoekende tussen de vele kaartjes, regels en uitzonderingen wellicht. Na een urenlange strijd met de regelboek kan je niet anders dan zwaar ontgoocheld het spel op te bergen, balend van de desillusie omdat iedereen het toch zo goed vindt en jij toch maar niet. Het spel krijgt, in deze jachtige tijden geen tweede kans en wordt dan maar, dankjewel Facebook, te koop gezet.

Andere spellen waar ik spontaan aan denk, zijn Agricola (en alle klonen die U. Rosenberg in zijn melkkoestal heeft staan) als bekendste (vermoed ik), spellen van Splotter (Food Chain Magnate bijvoorbeeld), What’s your game (Madeira en co) en GMT (Twilight Struggle, zeker na jaren op nummer 1 op Boardgamegeek). Als je je door de regelboek moet worstelen, is de kans groter dat ze in de verkoop gaan dan dat ze op tafel komen.

Een spellenclub is dus handig. Omdat je ongetwijfeld wel iemand vindt die je kan introduceren in dat ene nieuwe spel, die topper in de spellenwereld, dat superspel waar iedereen wild van is. Een spellenclub helpt je dus bij try before you buy, waardoor je miskopen vermijdt. Een spellenclub zorgt ervoor dat je amper nog regels moet lezen en ook geen filmpjes moet kijken (iets wat ik trouwens nooit doe, want de eerlijke, onbevooroordeelde en kritische recensenten die boeiend een filmpje kunnen maken én die een spellensmaak hebben die aansluit bij de mijne zijn, bij mijn weten althans, nog niet geboren). En, zoals in het eerste deel al gezegd, een spellenclub laat je spellen spelen zonder dat je ze moet kopen. Welkom bij Spellenclub Mechelen!

Net om al die redenen houden we 18xx-introductiedagen. Dat zijn dure en moeilijk te vinden spellen, die wil je dus zeker niet blind kopen. Die hebben dikke regelboeken waar je je maar moeilijk doorheen slaat (als je het spel nog nooit gespeeld hebt). Die zijn lang, zwaar en complex, waardoor de kans op een ontgoocheling 100% wordt als je het met allemaal nieuwelingen speelt. Die komen pas helemaal tot hun recht als je de juiste hulpmiddelen gebruikt (zoals pokerchips, dividendtabellen, overzichten en wie weet zelfs een app of computerprogramma). Die snakken naar een stevige dosis discipline en structuur tijdens het spelen (niet evident voor beginnelingen die nog niet weten hoe en wat).

We zijn heel tevreden dat iedereen die de stap zette om deel te nemen, achteraf ook een leuke ervaring heeft gehad en zelfs uitkeek naar een volgende keer. Kristof bijvoorbeeld, die vorige week voor de allereerste keer 1889 speelde, wist me gisteren te vertellen dat hij al begonnen was aan zijn 1889 print & play-spel. Het aantal 18xx-fans stijgt zienderogen, de Food Chain Magnate-liefhebbers in onze spellenclub zijn ook al talrijk. Ik kan niet wachten tot we naast economische spellen ook oorlogsspellen gaan lanceren.

Volgende week introduceren we weer zo’n spel op de spelavond: Dominant Species. Een topper, al zeg ik het zelf. Een lang spel, dat een beetje discipline en structuur vraagt met een heldere en duidelijke regelboek, waar je je toch liever niet doorworstelt. Een spel waar je liefst wat meer uitleg en tips bij krijgt, zowel voor als tijdens het spelen, want je zou wel eens weggeblazen kunnen worden. Alle ingrediënten zijn er dus om van je eerste spelletje een complete ontgoocheling te maken of juist een onvergetelijke ervaring. Maar meer daarover in een volgend stukje later deze week, het zou zowaar part 3 kunnen zijn.